1.2 Leeswijzer

Leeswijzer

De inhoudelijke eisen waaraan de begroting dient te voldoen zijn vastgelegd in het Besluit begroting en Verantwoording (BBV). Artikel 7 van het BBV schrijft voor dat de begroting ten minste bestaat uit de beleidsbegroting en de financiële begroting. De beleidsbegroting die bestaat uit het programmaplan en de paragrafen hebben we ondergebracht in hoofdstuk 2. Hoofstuk 1 en hoofdstuk 3 vormen, aangevuld met enkele bijlagen, de zogenaamde financiële begroting.
Omwille van de leesbaarheid hebben we voor de eerste keer zowel de lasten als de baten zonder + of – teken opgenomen in de tabellen. Een last is immers per definitie negatief en een baat positief. Saldi zijn voorzien van een – teken als het een negatief saldo is en een + teken indien het een positief saldo is. Deze methode van notulering hebben we ingevoerd naar aanleiding van de signalen die zijn opgepikt bij de training financiën aan de raadsleden die in 2019 is gehouden.

Hoofdstuk 1  geeft de lezer inzicht in de financiële meerjarige exploitatieraming. De raad wordt hierbij meegenomen vanaf de cijfers van de laatste ontwerpbegroting, de kaderbrief en de meest recente ontwikkelingen. Hoofdstuk 1 geeft de raad direct inzicht in het nieuwe beleid dat is geborgd in deze begroting de autonome ontwikkelingen maar bovenal het formele en structurele meerjarige evenwicht van baten en lasten.
Alleen indien sprake is van een structureel en reëel evenwicht van baten en lasten in 2021 behoudt de gemeente de status van repressief toezicht vanuit de provincie.

In Hoofdstuk 2 komen het programmaplan van deze begroting en de verplichte paragrafen aan de orde. Het programmaplan (2.1) vormt beleidsinhoudelijk het hart van de begroting. We volgen in deze begroting net als in de begroting 2020, de thema- en verplichte taakveldindeling van het BBV. Welke producten van baten en lasten onder welk taakveld vallen is gedetailleerd omschreven in het Besluit Begroten en Verantwoording (BBV). Afwijken binnen de taakvelden is niet toegestaan. Op taakveldniveau kunnen dus de directe baten en directe (kapitaal) lasten van gemeenten met elkaar worden vergeleken. Wij volgen net als in de begroting 2020 ook de groepering van de verschillende taakvelden per thema zoals ook aangedragen door het BBV. De BBV-thema’s zijn dus onze programma’s. Dat doen we om de vergelijkbaarheid en aansluiting tussen de achtereenvolgende begrotingen in deze raadsperiode te borgen. We hebben destijds voor die indeling gekozen in de verwachting dat veel gemeenten dat zouden doen. Bij start van de nieuwe raadsperiode zullen wij u een meer logische groepering van taakvelden voorstellen en die groepering opnieuw gedurende de volgende raadsperiode vasthouden.

Programmasamenvatting
De programmasamenvatting start telkens met een korte toelichting over de reikwijdte en samenstelling van het programma. Waar gaat het programma over? Welke taakvelden vallen onder dit programma? Daarna volgt een beschrijvende toelichting op de beleidsmatige accenten die in het komende begrotingsjaar per taakveld worden gelegd.

Omgevingsanalyse
De omgevingsanalyse geeft zoals de naam al zegt een analyse van de omgeving aan de hand van (historische) kengetallen. De meeste kengetallen zijn of effecten die we niet of nauwelijks zelf kunnen beïnvloeden of het betreft slechts data die zonder analyse op zich geen tot weinig directe informatiewaarde hebben. Wat al deze gegevens samen wel doen is een beeld schetsen over de historische ontwikkelingen in die omgeving. Het is vooral van belang dat die data worden geanalyseerd. Waarom is de trend zo? Wat mogen we hieruit wel of juist niet afleiden? Zijn onze doelen reëel? Doen we de juiste dingen? Moeten we meer doen of juist minder? Lang niet alle beschikbare kengetallen en indicatoren zijn opgenomen in de begroting. Veel kengetallen kunt u ook zelf terugvinden op bijvoorbeeld www.parkstad-limburg.buurtmonitor.nl. Ook uit digitale bronnen als www.waarstaatjegemeente.nl, www.cbs.nl, www.LISA.nl en www.openspending.nl zijn veel gegevens te halen die inzicht kunnen geven in de omgeving. We constateren wel een steeds grotere wildgroei van al die databanken waarbij dezelfde gegevens in de ene databank soms afwijken van de gegevens in een andere databank. Veelal zijn dit kleine definitie-verschillen.

Beleidskader
Het beleidskader is een vast onderdeel van de beleidsteksten. We beperken het kader tot het Landgraafse beleidskader of het beleidskader van de Stadsregio Parkstad. Landelijke wet- of regelgeving nemen we dus in principe niet op. Door de actualiteit aan te geven per kader geven wij u direct een indicatie over de actualiteit van het vastgestelde beleidskader. De beleidsinhoudelijke doelen, beoogde maatschappelijke effecten en concreet te ontplooien acties en prestaties in de beleidsnota’s vormen idealiter het fundament voor de 4xW teksten in de begroting.

Wat willen we bereiken (1e W)
De doelen zoals geformuleerd in deze begroting 2021 zijn nagenoeg identiek aan de doelen van de voorgaande begrotingen van dit college. Wel zijn de ambities opnieuw beoordeeld op realiteitszin en daar waar nodig bijgesteld. Het zijn de ambities die we uiterlijk in 2022 aan maatschappelijke effecten willen bereiken.

Effectindicatoren
De effectindicatoren maken de doelen meetbaar. We presenteren wederom de historische scores van de effectindicatoren in dezelfde tabel als de ambitie. De ambitie wordt uitgedrukt in een norm en een termijn.
De norm is wat we nastreven. De termijn geeft de tijdshorizon aan waarin we deze norm willen halen. De raad dient zich bewust te zijn van het feit dat het halen van de norm in de meeste gevallen niet alleen afhankelijk is van de inspanningen van het college en de organisatie. Het behalen van die ambitie is vaak mede afhankelijk van omgevingsfactoren en andere actoren die het bestuur niet of hooguit indirect kan beïnvloeden. De score van de effectindicatoren nemen we mits beschikbaar op in het jaarverslag.

Wat gaan we daarvoor doen (2e W)
De activiteiten die we gaan doen vormen feitelijk de echte prestaties die wij, het college, u toezeggen te gaan realiseren in het komende begrotingsjaar. Over de voortgang van deze activiteiten leggen we tussentijds in de tussenrapportage, slotrapportage en het jaarverslag aan de raad verantwoording af. Bij de formulering van de activiteiten is het telkens de balans zoeken tussen hoofdlijn versus detailniveau. In een aantal gevallen nemen we de concreet te realiseren output op in de prestatie-indicatoren. Daar vindt u in dat geval de concreetheid terug die u als raad zoekt. In andere gevallen verbijzonderen we de activiteit door de belangrijkste ''mijlpalen'' binnen de uit te voeren activiteit op te nemen in de omschrijving van de activiteit zelf. De concreetheid waarmee dit lukt varieert per activiteit en per programma. Dit is onvermijdelijk. Een programma maatschappelijke voorzieningen is nu eenmaal minder eenvoudig te concretiseren dan een programma ruimtelijke structuur. We nemen in onze activiteiten ook de ‘’politiek’’ minder aandacht vragende werkzaamheden op. Die werkzaamheden zijn daarom niet minder belangrijk. Het grootste deel van de organisatie is immers dagelijks aan de slag met die dienstverlenende activiteiten aan de burgers. U kunt hierbij denken aan het verlenen van vergunningen, verstrekken van persoonsdocumenten etc.

Prestatie-indicatoren
De prestatie-indicatoren vormen de meetbare prestaties die het college gaat leveren. De prestatie is gekoppeld aan de activiteit. In de tussenrapportage, slotrapportage en het jaarverslag zal aan de hand van de stoplichtmethodiek inzicht worden geboden in de voortgang van de prestatie-indicatoren. Staat een stoplicht in de tussen- of slotrapportage op groen dan verwachten we dat de prestatie aan het einde van het jaar geleverd zal zijn. Een nadere toelichting is dan niet nodig. Staat het stoplicht op geel dan zijn er onzekerheden of we de prestatie voor elkaar gaan krijgen. Staat het stoplicht op rood dan is op dat moment al duidelijk dat de prestatie niet gehaald zal worden. Bij een geel of rood stoplicht hoort altijd een toelichting.

Soms heeft de indicator slechts het karakter van een output-indicator. Het meer of minder realiseren van de norm is niet goed of fout. Wel geeft het meten van die indicator inzicht in de kwantitatieve omvang van de ‘workload’ van die activiteit. Omdat we de begrotingsactiviteiten ook gebruiken voor het ramen van de manuren in de afdelingswerkplannen is het meten van die output van belang. In die gevallen staat er geen < of > teken voor de norm en heeft het ook geen zin om in een tussen- of slotrapportage te werken met de stoplichtmethodiek.

Daar waar wij in de begroting het benoemen van een concrete prestatie-indicator per activiteit achterwege laten is dat bewust gedaan. Een goede (meetbare) prestatie-indicator hebben we in dat geval (nog) niet gevonden. In die gevallen leggen wij in de rapportages en het jaarverslag kwalitatief in algemene tekstuele bewoordingen verantwoording af over de voortgang (tussen- en slotrapportage) en de eindrealisatie (jaarverslag) van de activiteit. Discussiepunt is of we in de begroting ook activiteiten en prestaties van verbonden partijen en door ons gesubsidieerde grote instellingen moeten opnemen. Wij vinden als college dat we de hoofdlijnen van de activiteiten en/of prestaties van die partijen steeds concreter moeten opnemen simpelweg omdat meer dan € 60 mln. van het budget door die partijen wordt uitgegeven. Het opnemen van die acties zorgt ervoor dat de raad ons aanspreekt op die prestaties en wij op onze beurt als college of als individueel DB lid van een gemeenschappelijke regeling nog meer bewust zijn van het monitoren van de prestaties van die partijen.

Wat mag het kosten (3e W) en toelichting verbonden partijen
In de 3e W geven wij de raad inzicht in de baten en lasten per programma. Baten en Lasten worden zonder teken weergegeven. Saldi met een + teken indien de baten hoger zijn dan de lasten en een – teken indien de lasten hoger zijn dan de baten. Vanwege BBV technische regels staat het overgrote deel van de baat in de vorm van o.a. de algemene uitkering en de algemene belasting op programma 0.

We geven bij de 3e W van de programma’s m.u.v. programma 0 geen inzicht meer in de toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves per programma. In programma 0 geven we het totaal van stortingen en onttrekkingen weer. Daarnaast geven we in het taakveld 010 in de bijlage 2 een gedetailleerd overzicht van alle mutaties in de reserves. Een taakveld dat onderdeel is van het programma bestuur en ondersteuning vandaar dat het totaal van stortingen en onttrekkingen in dit programma wel zichtbaar is. Ook de indirecte lasten per programma die tot en met de begroting 2016 zichtbaar werden gemaakt in ieder programma zijn nu samengevoegd en toegerekend aan het taakveld 040 overhead dat onderdeel uit maakt van het programma 0 Bestuur en ondersteuning. Dit is een direct gevolg van de vernieuwing van het BBV zoals dat in 2017 is doorgevoerd. Vanuit dat nieuwe BBV is expliciet voorgeschreven wat wel en wat niet mag vallen onder overhead. In de bijlage aan de begroting treft u de verdeling van de baten en lasten per taakveld waaronder het taakveld 010 Mutaties reserves en het taakveld 040 Overhead.

De kolom van het jaar 2019 betreft de resultaten van de rekening 2019. De kolom van het jaar 2020 betreft de actuele begroting 2020 tot en met de 2e financiële bijstellingsrapportage die de raad juni 2020 heeft vastgesteld. Omdat een gedetailleerde toelichting per taakveld is terug te vinden in de bijlage lichten we in de 3eW alleen de hele opvallende financiële ontwikkelingen toe. Een meer gedetailleerde toelichting van de opvallende stijgingen of dalingen in de baten of lasten lichten we toe per taakveld in de bijlage.

Verbonden partijen en (professionele) gesubsidieerde organisaties
We geven per programma inzicht in de financiële bijdrage aan onze verbonden partijen inbegrepen (professionele) diverse welzijnsinstellingen. Die bijdrage maakt deel uit van de directe lasten zoals opgenomen in de tabel met de 3eW. De raad krijgt daarmee een goed beeld welk deel van het budget we feitelijk overdragen aan deze partners. We hebben de bijdrage opgenomen zoals wij die nu feitelijk in onze meerjarenbegroting hebben geraamd. Die raming sluit aan op de meest recente vastgestelde begroting van de verbonden partij. Nieuw is dat we waar mogelijk ook aangeven wat de bijdrage is van de verbonden partij aan de doelen, activiteiten en prestaties van het programma. Dit is een eis van het vernieuwde BBV. Als de verbonden partij transparant in haar begroting aan geeft wat ze wil bereiken, wat ze gaat doen en wat dat kost dan is het leggen van die relatie eenvoudig. In de praktijk is dat nog niet altijd het geval. Voor privaatrechtelijke partijen gelden nog steeds de verslaggevingsvoorschriften volgens het Burgerlijk Wetboek (BW2 Titel 9 voor vennootschappen).

Wat zijn de risico's (4e W)
De in het programmaplan opgenomen risico's zijn mogelijke gebeurtenissen die een nadelig effect kunnen hebben op het behalen van de beoogde maatschappelijke effecten, het realiseren van de prestaties en/of de omvang van de daarvoor benodigde financiële middelen. Risico's beheersen we door het nemen van maatregelen. Het financiële restrisico na het effectueren van die maatregel vangen we op met de weerstandscapaciteit. In de paragraaf weerstandsvermogen zetten we alle financiële restrisico's tezamen (de weerstandsbehoefte) af tegen de weerstandscapaciteit. Aan de hand van de aldus te berekenen weerstandsratio beoordelen wij of ons weerstandsvermogen groot genoeg is. We presenteren wederom de meerjarige risico-inschatting in de begroting waardoor we ook meerjarig een redelijke inschatting kunnen maken van de weerstandsratio. De maximale impact en kans inschatting die we hebben gebruikt zijn niet opgenomen in de tabel. Wel nemen we die op in de toelichting per risico.

Beleidsindicatoren nieuwe BBV per programma
Met de wijziging van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) van 5 maart 2016 zijn we gehouden om in de programma’s in de begroting (artikel 8, tweede lid, van het BBV), en in de programmaverantwoording (artikel 25, tweede lid, van het BBV) in het jaarverslag, de maatschappelijke effecten die met de verschillende programma’s worden beoogd of zijn gerealiseerd, toe te lichten aan de hand van beleidsindicatoren. Deze indicatoren dragen bij om de begroting en jaarverslagen beleidsmatiger en vergelijkbaarder te maken, zodat u als raadslid op de belangrijke momenten in een beleidscyclus zich een beeld kunnen vormen over behaalde beleidsresultaten en te behalen beleidsresultaten. Enkele van die opgedragen beleidsindicatoren zijn inmiddels weer vervallen. Wij blijven daarnaast ook gebruik maken van onze eigen indicatoren.

Paragrafen
In 2.2 treft u de voorgeschreven paragrafen aan. In de paragrafen nemen we de informatie op die niet past binnen het programmaplan omdat de activiteiten binnen deze paragraaf dwars door de programma's heen lopen, ondersteunend zijn aan de programma-activiteiten dan wel betrekking hebben op een specifiek onderwerp waarover we de raad separaat moeten of willen informeren. Het betreft de verplichte paragrafen lokale heffingen, bedrijfsvoering, financiering, verbonden partijen, het onderhoud op de kapitaalgoederen, grondbeleid en weerstandvermogen. We hebben geen aparte paragraaf COVID 19/Corona toegevoegd. De gevolgen van de Covid19 crisis, de daaruit voortvloeiende economische gevolgen en de te verwachten impact op de komende jaren zowel beleidsinhoudelijk alsook financieel is verwerkt in de programma’s.

In Hoofdstuk 3 Financieel nemen we vooral al de verplicht gestelde informatie op die de toezichthouder nodig heeft om onze begroting te kunnen toetsen op o.a. realiteit en structureel evenwicht. Dit is dus een financieel technisch hoofdstuk. Daartoe worden allereerst in paragraaf 3.1 Overzicht baten en lasten de historische, actuele en geplande baten en lasten per programma gepresenteerd. Vervolgens worden in paragraaf 3.2 Uitgangspunten van de ramingen de uitgangspunten gepresenteerd die zijn gehanteerd bij de samenstelling van de begroting. In de paragraaf 3.3 financiële positie wordt o.a. inzicht gegeven in de effecten van de gemaakte keuzes en verwachte ontwikkelingen op de baten en/of lasten van de programma's, het evenwicht in de begroting, de investeringen op hoofdlijn en de ontwikkeling van de reserves en voorzieningen. We sluiten dit hoofdstuk af met een beoordeling van de financiële robuustheid van de begroting waarbij de door het BBV verplicht op te nemen financiële indicatoren in samenhang worden beoordeeld. Omdat we de kengetallen en weerstandsratio toelichten in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheer en de ontwikkeling van de exploitatie in Hoofdstuk 1, nemen we de integrale beoordeling van de financiële positie van onze begroting ook op in hoofdstuk 1.