2.2.1 Lokale heffingen

Inleiding

Conform het BBV zijn in deze paragraaf opgenomen het beleid met betrekking tot de lokale heffingen, de geraamde inkomsten aan heffingen en leges, de mate van kostendekkendheid, het kwijtscheldingsbeleid en de lokale lastendruk (woonlasten).

Beleid

De basis voor de gemeentelijke regelgeving inzake de heffing en invordering van heffingen wordt gevormd door diverse wetten: de Gemeentewet, de Wet Waardering Onroerende zaken, de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Wet Milieubeheer, de Invorderingswet 1990 en de Algemene wet bestuursrecht.

Binnen de kaders van deze wetten heeft de gemeente beleidsvrijheid over de hoogte van de heffingen. Het coalitieconvenant vult deze beleidsvrijheid deels in. In dit convenant is afgesproken dat de opbrengsten gemeentelijke belastingen en heffingen met niet meer dan de inflatie zullen stijgen. Voor 2021 betekent dit een stijging met 1,8% ten opzichte van het jaar 2020. Voor de jaren 2022-2024 zijn deze percentages 1,7%, 1,6% en 1,5%. Deze percentages zijn gebaseerd op de indexering zoals die in de meicirculaire 2020 van het gemeentefonds is opgenomen en komen overeen met de percentages zoals die in de kaderbrief 2021 zijn genoemd. Bij de rioolheffing en afvalstoffenheffing, waarbij het uitgangspunt 100% kostendekkendheid is, kan de tariefontwikkeling uiteraard afwijken van de genoemde indexering.

Heffingen

Bij de heffingen wordt onderscheid gemaakt tussen heffingen met gebonden besteding en heffingen met niet gebonden bestedingen. Gebonden wil zeggen dat de baten alleen bestemd zijn voor het doel waarvoor zij geheven worden. De baten zijn geoormerkt en mogen maximaal 100% kostendekkend zijn. Niet gebonden besteding houdt in dat de baten tot de algemene dekkingsmiddelen van de gemeente behoren en vrij inzetbaar zijn.

(X € 1000)
Omschrijving lokale heffing 2020 2021 2022 2023 2024
Gebonden heffingen
Afvalstoffenheffing 4.047 4.221 4.311 4.381 4.435
Rioolheffing 4.763 4.859 4.956 5.055 5.176
Niet gebonden heffingen
Hondenbelasting 392 399 406 412 419
Onroerende zaakbelasting 7.511 7.646 7.776 7.901 8.019
Precariobelasting 28 29 29 30 30
Toeristenbelasting 104 106 108 110 111
Totaal lokale heffingen 16.846 17.260 17.586 17.888 18.190

Belastingmaatregelen

Onroerende zaak belasting (OZB)

De basis voor de heffing van de OZB is de feitelijke situatie (WOZ-waarde) van het object (woning of niet-woning) per 1 januari 2021 gerekend met het prijspeil van 1 januari 2020. Jaarlijks wordt de WOZ-waarde bepaald door BsGW. Dit gebeurt op basis van de Wet Waardering Onroerende Zaken. De heffing wordt berekend aan de hand van een % (het tarief) van de waarde van het object. De totale opbrengst OZB is daarmee afhankelijk van de totale waarde van alle objecten.
De BsGW heeft medio oktober 2020 de bepaling van de WOZ-waarde van alle objecten (grondslag) voor het belastingjaar 2021 gereed. Op dat moment kan een exacte bepaling van de tarieven OZB plaatsvinden die vervolgens in de raadsvergadering van 10 december 2020 definitief worden vastgesteld.
Om toch een indicatief tariefpercentage te kunnen berekenen, gaan we uit van een waardestijging van 7,5% voor woningen en 2% voor niet-woningen.

Areaalmutaties
De afgelopen jaren is vanuit de Wijkontwikkelingsplannen een fors aantal woningen gesloopt. Het betrof met name woningen in de sociale huursector. Ten opzichte van 2020 is voor 2021 niet met areaalmutaties rekening gehouden.

Tariefontwikkeling

Zoals in het coalitieconvenant is vastgelegd zal de heffing met niet meer dan inflatie stijgen. Voor 2021 betekent dit een stijging met 1,8% ten opzichte van 2020. Voor de jaren 2022-2024 zijn deze percentages respectievelijk 1,7%, 1,6% en 1,5%. In de meerjarenraming stijgt de totale opbrengst OZB jaarlijks met deze percentages. Dat wil niet zeggen dat de tarieven met het inflatiepercentage zullen stijgen. Bij de bepaling van het tariefpercentage houden wij rekening met de waardeontwikkeling van de objecten. Is de waardestijging hoger dan het inflatiepercentage, dan leidt dat tot een lager tariefpercentage; omgekeerd leidt een waardestijging die lager is dan het inflatiepercentage tot een tariefstijging. Per saldo stijgt de te betalen (gemiddelde) OZB-belasting met niet meer dan het inflatiepercentage.

In onderstaand overzicht is een indicatie gegeven van de ontwikkeling van de tarieven. Wij merken daarbij op dat deze tarieven niet zijn bepaald op basis van de door BsGW verstrekte gegevens, doch op een eigen inschatting van de marktontwikkelingen: 7,5% waardestijging woningen en 2% bij niet-woningen. Andere ontwikkelingen dan prijs zijn hierbij niet meegenomen. De tarieven kunnen definitief worden berekend na 15 oktober 2020, wanneer we de definitieve WOZ-waarden (grondslag) van de BsGW hebben ontvangen. Afhankelijk van alle ontwikkelingen kunnen de definitieve tarieven afwijken van de hieronder vermelde indicatieve tarieven. De definitieve tarieven worden in de verordening onroerendezaakbelasting 2021 opgenomen. Vaststelling vindt plaats in de raadsvergadering van 10 december 2020.

De indicatieve tarieven OZB-woningen 2021 dalen ten opzichte van 2020 door de met meer dan het inflatiepercentage (1,8%) stijgende WOZ-waarden (+7,5%). De tarieven OZB niet-woningen 2021 daarentegen stijgen onder invloed van de lagere waardestijging (+2%) in combinatie met de inflatiecorrectie 1,8%. Dit leidt tot de volgende indicatieve tarieven:

Tariefontwikkeling in % van waarde 2020 2021
Verordening Indicatief
- eigenaren woningen 0,17% 0,16%
- eigenaren niet-woningen 0,29% 0,29%
- gebruikers niet-woningen 0,24% 0,24%

Hondenbelasting

Rond 3.975 huishoudens zijn in het bezit van één hond; circa 520 huishoudens hebben 2 of meer honden. De tarieven hondenbelasting 2021 stijgen ten opzichte van 2020 met 1,8%.

Tarieven hondenbelasting 2020 2021
- 1e hond € 73,60 € 74,90
- 2e hond € 153,90 € 156,70
- 3e hond € 274,80 € 279,70
- 4e e.v. hond € 533,30 € 542,90
Kennel € 1.031,70 € 1.050,30

De tarieven zullen worden verwerkt in de Verordening hondenbelasting, die in de raadsvergadering van 10 december 2020 zal worden vastgesteld. Meerjarig (2022-2024) zijn de tarieven hondenbelasting geïndexeerd met resp. 1,7%, 1,6% en 1,5%.

Precariobelasting

In relatie tot de precariobelasting zijn geen aanpassingen aan de orde. De tarieven 2021 stijgen ten opzichte van 2020 met 1,8%. Dit betreft de inflatiecorrectie. Voor de jaren 2022 -2024 zijn de stijgingen op basis van de nu bekende indexatie percentages: 1,7%, 1,6% en 1,5%. De afzonderlijke tarieven, gebaseerd op de genoemde inflatiecorrectie, worden opgenomen in de Verordening precariobelasting 2021, die in de raad van 10 december 2020 zal worden vastgesteld.

Toeristenbelasting

Met de ondernemers in de recreatieve sector is de afspraak gemaakt het tarief om de 2 jaar te verhogen. De laatste verhoging dateert uit 2020. Dit betekent dat het tarief voor 2021 niet wordt aangepast. Sinds 2020 is er sprake van één uniform tarief.

Tarief toeristenbelasting per overnachting 2020 2021
per persoon, per overnachting € 1,40 € 1,40

Afvalstoffenheffing

De afvalstoffenheffing is een zogenaamde gebonden heffing. Dit betekent dat de heffing de desbetreffende lasten maximaal voor 100% mag dekken. Voor de raming van de lasten die worden meegenomen in de berekening van de afvalstoffenheffing zijn vooral de kosten van Rd4 bepalend; ruim 88% van de totale kosten komen voor rekening van Rd4 (ten opzichte van 89% voor begrotingsjaar 2020). Het totaal van de kosten vormt de grondslag voor de tarieven en ziet er voor 2021 als volgt uit:

 

Omschrijving lasten afvalstoffen 2020 2021 Verschil
Kosten Rd4 (incl. BTW vooraftrek) € 3.585.508,30 € 3.732.795,55 € 147.287,25
Directe uren eigen personeel (incl. overhead) € 16.180,00 € 16.192,00 € 12,00
Toegerekende overhead € 15.794,00 € 15.772,00 € -22,00
Toegerekende kosten BsGW € 136.324,00 € 144.586,00 € 8.262,00
Toerekening van kwijtschelding afvalstoffenheffing € 248.289,49 € 266.621,88 € 18.332,38
Kapitaallasten (incl. inzet doelreserves) € - € - € -
Overige lasten € 44.878,00 € 44.965,00 € 87,00
Totaal lasten afvalstoffenheffing € 4.046.974,00 € 4.220.932,00 € 173.959,50
Aanwending voorziening reiniging € - € - € 0,40
Baten € 4.046.973,79 € 4.220.932,00 € 173.959,50
Saldo € - € - € -

Onderstaand is toegelicht waardoor de verschillen in lasten tussen 2021 en 2020 worden verklaard:
1. Ten opzichte van 2020 stijgen de kosten van Rd4 voor 2021 met afgerond € 147 duizend (incl. BTW). De stijging betreft grotendeels een doorwerking van de kostenstijgingen in 2021 meegenomen in de begroting van Rd4 voor 2021.
2. Ten opzichte van 2020 stijgen de kosten van BsGW met afgerond € 8 duizend. Dit komt met name door de hogere totale begroting van BsGW. Het percentage aandeel aan afval toe te rekenen kosten BsGW is nagenoeg gelijk gebleven (3%) voor 2021 in vergelijking met 2020.
3. Het bedrag van kwijtschelding toe te rekenen aan de afvalstoffenheffing is op basis van realisatiecijfers verhoogd.

Tarieven afvalstoffenheffing 2021

De afvalstoffenheffing is een gebonden heffing en mag maximaal 100% kostendekkend zijn. Voor 2021 blijven de variabele tarieven gelijk aan de tarieven van 2020 en 2019. Dit betekent dat de stijging van afvalkosten niet uit de variabele tarieven gedekt kan worden, maar leidt tot een verhoging van het vastrecht. Het vaste tarief stijgt met 4,7% ten opzichte van 2020. De berekening van de tarieven baseren wij op de huidige en verwachte aantallen aansluitingen en aantallen ledigingen. De tarieven voor 2021 zoals deze nu zijn berekend, zijn vooralsnog indicatief. Deze tarieven kunnen nog worden bijgesteld op basis van een aantal nog door te rekenen onderdelen. De definitieve tarieven worden opgenomen bij de vaststelling van de verordeningen in december 2020:

Tarieven afvalstoffenheffing 2020 2021
Vastrecht eenpersoons huishouden € 156,60 € 163,90
Vastrecht meerpersoons huishouden € 178,40 € 186,80
GFT container 140 liter € - € -
GFT container 240 liter € - € -
Restafval container 140 liter € 6,45 € 6,45
Restafval container 240 liter € 8,75 € 8,75
Huisvuilzak € 1,60 € 1,60

Rioolheffing

De basis voor de kosten met betrekking tot rioleringen wordt gevormd door het ISW (Integraal Stedelijk Waterplan) dat door de raad is vastgesteld in september 2016. Ook de grondwater- en oppervlaktewater problematiek en de maatregelen die op dat gebied worden genomen, hebben hierin een plaats. Daarnaast spelen toegerekende kosten een rol van onder andere onkruidbestrijding, straatreiniging, de personele kosten die direct toewijsbaar zijn en kosten van overhead van de eigen organisatie.

Een nieuw kostendekkingsplan riolen als financiële afgeleide van het nog door de raad vast te stellen integraal watertakenplan zal naar verwachting in 2021 gereedkomen. De financiële vertaling hiervan zullen we dan in de begroting 2022 meenemen.

De grondslag voor de tarieven rioolheffing op basis van het huidige kostendekkingsplan ziet er als volgt uit:

Omschrijving lasten riolen 2020 2021 Verschil
Onderhoud € 821.234 € 839.015 € 17.781
Overige lasten € 131.980 € 134.837 € 2.857
Beleid waterhuishouding € 212.534 € 216.784 € 4.250
Kapitaallasten € 926.565 € 1.144.635 € 218.070
Toegerekende kosten BsGW en Gegevenshuis € 193.728 € 201.524 € 7.796
Directe uren eigen personeel € 531.316 € 581.572 € 50.256
Toegerekende overhead € 941.333 € 958.413 € 17.080
Toerekening duurzame onkruidbestrijding € 120.000 € 122.400 € 2.400
Toerekening straatreiniging € 96.000 € 97.920 € 1.920
Toerekening kwijtschelding € 184.211 € 228.378 € 44.167
Totaal lasten riolen € 4.158.901 € 4.525.478 € 366.577
Storting voorziening riolen € 604.348 € 333.037 € -271.311
Baten € 4.763.249 € 4.858.515 € 95.266
Saldo € - € - € -

Onderstaand is toegelicht waardoor een aantal verschillen in lasten tussen 2021 en 2020 worden verklaard:
1. Het bedrag van kwijtschelding toe te rekenen aan de rioolheffing is op basis van realisatiecijfers verhoogd.
2. De baten rioolheffing zijn ten opzichte van 2020 € 95 duizend hoger. De baten volgen de kosten, waarin de in het ISW opgenomen indexering van 2%, alsook de wijzigingen in de kosten, zijn verwerkt.

Tarieven rioolheffing 2021

Evenals bij afvalstoffen mogen gemeenten de kosten voor riolen tot maximaal 100% in rekening brengen bij de huishoudens. Dit gebeurt ook in de gemeente Landgraaf. Daarmee zijn de tarieven riolen niet onderhevig aan een indexering op de heffing zelf, maar zijn deze afhankelijk van de ontwikkeling van kosten die verband houden met riolen. De tarieven rioolheffing stijgen met 3,33% ten opzichte van 2020. De berekening van de tarieven baseren wij op het huidige aantal aansluitingen.

Tarieven rioolheffing 2020 2021
Eigenarendeel: € 103,15 € 106,58
Gebruikersdeel o.b.v. verbruik drinkwater
0 - 200m3 € 148,10 € 153,00
201 - 400m3 € 210,30 € 217,30
meer dan 401m3 € 347,90 € 359,50
per 100m3 extra € 35,40 € 36,60

Kwijtschelding

Op grond van de Verordening op de kwijtschelding gemeentelijke belastingen kunnen burgers, wanneer zij aan de eisen voor kwijtschelding voldoen, voor kwijtschelding in aanmerking komen. Indien burgers voldoen aan de eisen voor kwijtschelding ontvangen zij kwijtschelding voor:
- Rioolheffing (gebruikersdeel),
- Afvalstoffenheffing (vastrecht + variabele kosten met een maximum van € 70,-)
Voor de overige gemeentelijke belastingen en heffingen wordt geen kwijtschelding verleend.

Daarnaast komen burgers op grond van Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing in aanmerking voor vermindering van de afvalstoffenheffing, indien zij als gevolg van chronische ziekte of handicap dan wel chronische ziekte of handicap van personen die behoren tot zijn of haar huishouden, extra afval moeten aanbieden aan de gemeentelijke inzameldienst. In dat geval bedraagt de vermindering 60% van de variabele kosten met een maximum van € 95,-.

In de begroting 2021 is een bedrag van € 495.000 opgenomen voor kwijtschelding van afvalstoffen- en rioolheffing. Uit analyse van de gerealiseerde kwijtscheldingen over de jaren 2016 t/m 2019 blijkt dat van de kwijtscheldingen 54% toe te rekenen is aan afvalstoffenheffing en 46% aan rioolheffing. Met deze verdeling is in de begroting 2021 rekening gehouden: er wordt € 248.289 kwijtschelding toegerekend aan afvalstoffen en € 184.211 aan riolen. Deze bedragen zijn verdisconteerd in de tarieven rioolheffing 2021 en afvalstoffenheffing 2021.

Leges en rechten

Leges en rechten heffen we voor verstrekte diensten door de gemeente. De dienst kan bestaan uit documenten (bv. paspoort, rijbewijs), vergunningen (bv. omgevingsvergunning, toestemming voor evenement), grafrecht en dergelijke. 

Omschrijving leges en rechten 2020 2021 2022 2023 2024
Omgevingsvergunning € 283.659 € 283.659 € 283.659 € 283.659 € 283.659
Marktgelden € 35.000 € 21.000 € 21.000 € 21.000 € 21.000
Reisdocumenten € 61.600 € 140.000 € 140.000 € 140.000 € 200.000
Rijbewijzen € 204.000 € 204.000 € 204.000 € 204.000 € 204.000
Burgerzaken (GBA, huwelijken e.d.) € 84.025 € 84.025 € 84.025 € 84.025 € 84.025
Grafrechten en-heffingen 20.000 € 20.000 € 20.000 € 20.000 € 20.000
Overige leges € 33.808 € 33.808 € 33.808 € 33.808 € 33.808
Totaal leges en rechten € 722.092 € 786.492 € 786.492 € 786.492 € 846.492

Legestarieven mogen evenals de gebonden heffingen maximaal kostendekkend zijn. Dit betekent dat tarieven niet meer mogen stijgen dan de stijging van de daaraan gekoppelde lasten. De afzonderlijke tarieven nemen we op in de Legesverordening 2021, die we de raad op 10 december ter vaststelling zullen aanbieden.

Ontwikkeling woonlasten

Woonlasten zijn betalingen die huishoudens doen in verband met wonen. Woonlasten bestaan uit belastingen en heffingen enerzijds en marktprijzen voor bijvoorbeeld gas en elektriciteit anderzijds. In deze paragraaf beperken we de woonlasten tot de lasten die voortvloeien uit de relevante gemeentelijke heffingen:
- onroerende zaakbelasting,
- rioolheffing meerpersoonshuishouden,
- afvalstoffenheffing meerpersoonshuishouden.

Overige belastingen zijn niet op elk huishouden van toepassing en worden daarom niet meegenomen in vergelijking van de gemeentelijke woonlasten.

Het Centrum voor Onderzoek van de Economie Lagere Overheden (COELO) doet jaarlijks onderzoek naar de ontwikkeling van de gemeentelijke woonlasten en publiceert die in de “lokale lasten atlas”. Deze levert daarmee een landelijk vergelijkbaar gegeven voor wat betreft de gemeentelijke woonlasten. Die vergelijkbaarheid is niet helemaal zuiver, omdat vanwege de verscheidenheid in ophaalsystemen COELO voor wat betreft de afvalstoffenheffing een “gemiddeld” systeem hanteert. Hierdoor kunnen afwijkingen ontstaan ten opzichte van de eigen situatie. In onderstaand overzicht is het verloop voor de jaren 2017 tot en met 2020 weergegeven voor alle Parkstadgemeenten.

Overzicht woonlasten Parkstad Limburg gemeenten 2017 - 2020
Gemeente Gemid. WOZ Belastingjaar
waarde won.2019 2017 2018 2019 2020
Beekdaelen € 228.000 € 909
Brunssum € 159.000 € 730 -0,10% € 750 2,70% € 766 2,10% € 791 3,30%
Heerlen € 148.000 € 753 0,80% € 769 2,10% € 764 -0,70% € 786 2,90%
Kerkrade € 153.000 € 707 1,40% € 726 2,70% € 768 5,80% € 829 7,90%
Landgraaf € 182.000 € 756 0,70% € 752 -0,50% € 774 2,90% € 809 4,50%
Simpelveld € 193.000 € 800 2,10% € 825 3,10% € 845 2,40% € 884 4,60%
Voerendaal € 254.000 € 782 -4,00% € 791 1,20% € 847 7,10% € 967 14,20%

De (afgeronde) bedragen betreffen de som van de OZB per gemiddelde WOZ-waarde woningen, de afvalstoffenheffing en de rioolheffing voor een meerpersoons huishouden. De gegevens zijn gebaseerd op de COELO-Atlas.

We zien dat de gemiddelde woonlasten van alle Parkstad gemeenten in 2020 zijn gestegen ten opzichte van 2019. Landgraaf begeeft zich voor wat betreft deze stijging in het midden, waarbij Heerlen het laagste stijgingspercentage (2,9%) en Voerendaal de hoogste stijging (14,2%) heeft.
De stijging van 4,5% voor Landgraaf wordt met name verklaard door de stijging van de tarieven afvalstoffenheffing (verhoging van 20% van vaste tarieven 2020 ten opzichte van 2019).