2.2.7 Weerstandvermogen en risicobeheersing

In deze paragraaf beoordelen wij in de eerste plaats de mate waarin de benodigde weerstandsbehoefte groot genoeg is om de geïnventariseerde risico’s af te dekken. We doen dit door eerst goed uit te leggen hoe we weerstandsratio berekenen. Die wijze van berekenen is vastgelegd in de Nota weerstandsvermogen en risicomanagement 2014. De raad heeft die berekeningswijze en de daarbij te hanteren normering vastgesteld per raadsvoorstel.
Vervolgens berekenen we actuele weerstandsratio door de weerstandsbehoefte (noemer) aan de hand van de gepresenteerde 4eW in de programma’s af te zetten tegen de weerstandscapaciteit (teller).
Daarna nemen we in deze paragraaf de verplichte BBV financiële kengetallen op.

Beleid weerstandsratio
De indicator aan de hand waarvan we kunnen beoordelen of we in staat zijn risico’s financieel op te vangen betreft de weerstandsratio. Die ratio is de verhouding tussen de weerstandscapaciteit (teller) en de weerstandsbehoefte (noemer).

Plaatje Ratio

De weerstandsbehoefte is de som van de financiële restrisico’s. Het restrisico stellen we vast door de maximale financiële impact van een risico te vermenigvuldigen met een kanspercentage (%). Dat is de kans dat het risico op komt en de kans dat het risico, als het op komt, ook maximaal op komt. We hanteren hierbij de volgende indeling:

(x € 1000)
Nr Programma 2021 2022 2023 2024
0 Bestuur 1.278 2.928 3.853 5.078
1 Veiligheid 2.079
2 Verkeer, vervoer en waterstaat
3 Economie
4 Onderwijs
5 Sport, cultuur en recreatie 158 233 294 340
6 Sociaal domein 884 1.921 2.568 3.138
7 Volksgezondheid en milieu 146 64 64 64
8 Volkshuisvesting , ruimtelijke ordening VHROSV 105 105 105 105
Totaal weerstandsbehoefte programma's 4.650 5.251 6.884 8.725
Opzetpercentage voor kleine en onvoorziene risico's (20%) 930 1.050 1.377 1.745
Totaal weerstandsbehoefte 5.580 6.301 8.261 10.470

Het inschatten van de maximale impact & kans per risico is geen exacte wetenschap. Dat betekent dat in de toelichting er een nadere onderbouwing dient te worden gegeven over de aannames die zijn gedaan om te komen tot de kans inschatting (zeer) hoog, midden of (zeer) laag. Door periodiek telkens op dezelfde systematische wijze de risico’s te inventariseren en de inventarisatie te bespreken met directie, management en college proberen we de inventarisatie van de weerstandsbehoefte, die deels gebaseerd is op subjectieve aannames, zoveel als mogelijk te objectiveren.
We passen de 80/20 regel toe bij het inventariseren van de risico’s. Dat betekent dat 20% van de risico’s 80% van de financiële impact kan hebben. Dat betekent tevens dat 80% van de niet op papier geïnventariseerde kleinere operationele risico’s 20% financiële impact kunnen hebben. Door te focussen op de 20% majeure risico’s leggen we op het bestuurlijke niveau de aandacht neer waar die moet liggen. We houden er dus rekening mee dat we i.h.k.v. de berekening van de weerstandsratio 20% van de weerstandsbehoefte niet hebben geïnventariseerd en tellen die 20% dus op bij het ge-inventariseerde financiële restrisico.

De weerstandscapaciteit
Ook wel genoemd het weerstandsvermogen, betreft de omvang van de financieel beschikbare middelen die we in kunnen zetten om de financiële gevolgen van de daadwerkelijk opkomende risico’s in enig jaar op te kunnen vangen zonder dat dit per direct impact heeft op het vastgestelde beleid. Dit betreft zowel structurele ruimte in de baten en/of lasten in de exploitatie alsook incidentele ruimte in de vorm van reserves of de post onvoorzien in de exploitatie. Omdat Landgraaf de tarieven voor leges, afval- en riolen al zo veel als mogelijk kostendekkend vaststelt beperkt de ruimte in de exploitatie zich tot de post onvoorzien die uit een jaarlijkse incidentele post bestaat van € 145 duizend en een structurele post van € 30 duizend. We hanteren in tegenstelling tot de begroting 2020, maar in lijn met de afspraken zoals die worden opgenomen in de nieuwe nota weerstandsvermogen en risicomanagement, die eind van het jaar ter actualisering aan de raad wordt aangeboden, voortaan de stand van 31 december van het jaar omdat geraamde onttrekkingen in de loop van het jaar niet meer ter beschikking staan ter afdekking van gedurende het jaar opkomende risico’s.

De vermogenscomponenten die we meenemen in de berekening van de weerstandscapaciteit beperken we tot:
- De algemene reserve
- De bestemmingsreserves
- De egalisatiereserves

Stille reserves , onderhoudsreserves en afschrijvingsreserves nemen we dus niet mee omdat die of niet altijd op korte termijn effectief vrij te maken zijn (stille reserves), beklemd zijn ter dekking van de afschrijvingslasten van een investering (afschrijvingsreserves) of omdat deze op korte termijn opgeheven worden (onderhoudsreserves).

De kleine (r) en de grote (R) weerstandsratio.
Als weerstandsratio’s hanteren we een kleine (r) en een grote ratio (R) waarbij in de kleine ratio de weerstandsbehoefte alleen wordt afgezet tegen de algemene reserve. In de grote ratio rekenen we ook de posten onvoorzien in de exploitatie en de bestemmingsreserves en de egalisatiereserves tot de weerstandscapaciteit.

De normering van de ratio’s.
De kleine ratio moet zich bewegen tussen de 1 en de 2. De grote ratio tussen de 2 en de 3 aldus het Landgraafse beleid. De hoogte van de kleine (r) en grote (R) ratio kunnen dus niet los gezien worden van elkaar. Een grote ratio (R) van 4 lijkt erg hoog maar indien die gepaard gaat met een kleine ratio (r) van 0,4 is er wellicht toch reden tot zorg. Is het dan niet tijd kritisch te kijken naar de omvang en hoeveelheid van de bestemde reserves. Een grote ratio (R) van 2,5 is meer dan robuust (=2) maar niet extreem hoog.

Plaatje kleine ratio - grote ratio

Als dat echter samen gaat met een kleine ratio van 2,3 dan komt de vraag op of we toch niet te veel algemene reserves achter de hand houden.

Beide ratio’s dienen daarom in samenhang met elkaar te worden beschouwd. Valt een score te laag of te hoog uit dan is dat in eerste aanleg reden tot nadere analyse. Of er bijgestuurd dient te worden op dat moment zal ook afhangen van de hoogte van de andere ratio. Onderstaand geven we per scenario van de ratio een mogelijke bijstuurmaatregel zoals we die ook hebben opgenomen in de Nota Weerstandsvermogen en Risicomanagement 2014.

noot 3: In de Nota weerstandsvermogen en risicomanagement 2014 staat dat we de stille reserves wel mogen meenemen maar we doen dit al enkele jaren niet meer vanwege de niet realiseerbaarheid van de vrijval van die stille reserves op de termijn waarop die ruimte nodig is i.h.k.v. risico-afdekking.

 

kleine ratio ( r ) grote ratio (R ) analyse mogelijke maatregel
r<1 R<2 De weerstandsratio is onder de maat Beoordelen mogelijkheden weerstandscapaciteit te verhogen of risico's (= behoefte) te verkleinen
r>2 R>3 De weerstandsratio is boven de maat Beoordelen mogelijkheden inzetten deel weerstandscapaciteit voor nieuw beleid
r<1 R>3 De weerstandsratio is aan de maat maar de algemene reserve is te beperkt Beoordelen mogelijkheid aanvullen algemene reserve
r>2 R<3 De weerstandsratio is aan de maat maar de algemene reserve is mogelijk onnodig groot Beoordelen mogelijkheid herbestemmen deel algemene reserve
1< r <2 2< R <3 De weerstandscapaciteit is aan de maat

De ratio is berekend met veel aannames en inschattingen. Inschatten van risico’s is immers geen exacte wetenschap. Dit noodzaakt tot behoedzaamheid alvorens concrete maatregelen te nemen. Door de eenduidige systematische manier van berekenen en weergeven van de weerstandsratio zorgen we dat we opeenvolgend berekende ratio’s onderling kunnen vergelijken en trends zichtbaar worden.

Berekening weerstandsvermogen 2021-2024

Totale beschikbare weerstandscapaciteit
Voor wat betreft de vermogensbestanddelen in de weerstandscapaciteit hebben we in afwijking van het beleid, dat aan geeft dat het gemiddelde moet worden gekozen tussen 1 januari en 31 december, maar in lijn met de ratio zoals opgenomen in de primitieve begroting 2020 (boekwerk) en de eind 2020 nieuw vast te stellen Nota risicomanagement, de stand per 31 dec van het betreffende jaar genomen. We zijn hiermee consistent met de ratio zoals gepresenteerd in de begroting 2020.

De totale weerstandscapaciteit bestaat zoals is aangegeven uit de vermogenscomponent en de eventuele ruimte in de exploitatie.

(x € 1000)
Weerstandscapaciteit vermogen 2019 2020 2021 2022 2023 2024
per 31/12
Algemene reserve 15.689 8.207 8.609 9.076 10.824 12.592
Bestemmingsreserves 13.049 11.888 11.384 11.500 11.615 11.727
Egalisatiereserves 2.863 4.700 3.968 4.077 3.955 4.429
Totaal 31.601 24.795 23.961 24.653 26.394 28.748
(x € 1000)
Weerstandscapaciteit exploitatie 2021 2022 2023 2024
Onvoorzien incidenteel 145 145 145 145
Onvoorzien structurele ruimte B 30 60 90 120
Totaal 175 205 235 265

Weerstandsbehoefte 2021-2024
De weerstandsbehoefte is per programma geïnventariseerd en in de 4eW van ieder programma toegelicht. Tellen we de som van de per programma geïnventariseerde restrisico’s bij elkaar op en verhogen we dat met 20% voor de niet geïdentificeerde risico’s dan hebben we het totaal van de benodigde weerstandsbehoefte.

 

(x € 1000)
Nr Programma 2021 2022 2023 2024
0 Bestuur 1.278 2.928 3.853 5.078
1 Veiligheid 2.079
2 Verkeer, vervoer en waterstaat
3 Economie
4 Onderwijs
5 Sport, cultuur en recreatie 158 233 294 340
6 Sociaal domein 884 1.921 2.568 3.138
7 Volksgezondheid en milieu 146 64 64 64
8 Volkshuisvesting , ruimtelijke ordening VHROSV 105 105 105 105
Totaal weerstandsbehoefte programma's 4.650 5.251 6.884 8.725
Opzetpercentage voor kleine en onvoorziene risico's (20%) 930 1.050 1.377 1.745
Totaal weerstandsbehoefte 5.580 6.301 8.261 10.470

Weerstandsratio 2021-2024
Zetten de weerstandscapaciteit vervolgens af tegen de weerstandsbehoefte dan hebben we de weerstandsratio. De kleine ratio beperkt zich tot de algemene reserve als weerstands-capaciteit. Bij de grote ratio worden de bestemmingsreserves en egalisatiereserves en de ruimte in de exploitatie meegeteld.

 

(x € 1000)
Weerstandsratio per 31/12 2021 2022 2023 2024
Weerstandscapaciteit klein 8.609 9.076 10.824 12.592
Weerstandscapaciteit groot 24.136 24.858 26.629 29.013
Weerstandsbehoefte 5.580 6.301 8.261 10.470
Kleine ratio r 1,5 1,4 1,3 1,2
Grote ratio R 4,3 3,9 3,2 2,8

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de kleine ratio zich alle jaren bevindt binnen de bandbreedte maar meerjarig wel daalt. Die daling is ondanks de langzaam meerjarig stijgende algemene reserve het gevolg van de eveneens sterk oplopende weerstandsbehoefte.

De stijging van de weerstandscapaciteit is het gevolg van de structurele storting van € 1,75 mln. De toename van de risico’s meerjarig is met name toe te rekenen aan de onzekerheden over de nu geraamde baten van de algemene uitkering en de herverdeling van die middelen aan de hand van een nieuw verdeelmodel.

De grote weerstandsratio ligt in 2021 ruim boven de signaleringsbandbreedte van 2-3 maar ook die daalt in het laatste jaar tot binnen de bandbreedte. Op het moment dat er risico’s in enig jaar opkomen zullen die nagenoeg altijd gedekt dienen te worden uit de algemene reserve. Dat betekent dus ook dat de meerjarig geraamde stand van de reserves zoals weergegeven nog geen rekening houdt met die daadwerkelijk opkomende risico’s. Tegelijkertijd komen er ook bijna ieder jaar voordelen op die de algemene reserve extra versterken. Ook die voordelen zijn, omdat ze nu niet bekend zijn, niet geraamd.

De voorlopige deelconclusie is dan ook dat de weerstandscapaciteit op dit moment aan de maat is maar ook dat er geen ruimte is om een deel van de structurele storting in de algemene reserve te laten vrijvallen t.b.v. de exploitatie en te dekken nieuw beleid.

Verplichte BBV Kengetallen

De set van financiële kengetallen is vastgelegd in een daartoe strekkende ministeriële regeling.
Deze ratio’s zijn in onderstaande tabel weergegeven.

 

Kengetal Categorische indeling provincie
2019 2020 2021 2022 2023 2024 Cat. A Cat. B Cat. C
Netto schuldquote. 58,80% 48,8% 60,00% 61,60% 63,40% 56,40% <90% 90-130% >130%
Netto schuldquote, gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen. 49,90% 41,7% 52,20% 53,70% 55,90% 49,40% <90% 90-130% >130%
Solvabiliteitsratio. 33,30% 30,9% 27,30% 26,70% 26,90% 29,20% >50% 20-50% <20%
Grondexploitatie. 3,20% 3,00% 3,00% 2,90% 2,90% 2,90% <20% 20-35% >35%
Structurele exploitatieruimte -3,30% -4,4% 0,20% 1,00% 1,50% 2,00% begr.pos. begr.neutr. begr. neg.
Belastingcapaciteit 101,20% 100,8% 107,55% 107,55% 107,55% 107,55% <95% 95-105% >105%

De provincie deelt de kengetallen in drie categorieën in, maar geeft hier geen kwalificatie aan, omdat de normering een eigen gemeentelijke keuze is. Wel kan over het algemeen worden gesteld, dat categorie A het minst risicovol is en categorie C het meest.

Netto schuldquote
De netto schuldquote weerspiegelt het niveau van de schuldenlast t.o.v. de eigen middelen en geeft een indicatie van de druk van de rentelasten en aflossingen op de exploitatie. Hierbij wordt verschil gemaakt tussen de schuldquote in – en exclusief doorgeleende gelden (verstrekte leningen). Onze schuldquote is t.o.v. voorgaande jaren behoorlijk gestegen maar wel nog steeds aan de maat (cat A). Dit is een direct gevolg van het meer moeten aantrekken van leningen.

Solvabiliteitsratio
Dit kengetal geeft inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Onze solvabiliteitsratio daalt maar bevindt zich nog steeds in de categorie B
Dat komt omdat we meer schuld op de balans hebben staan a.g.v. het aantrekken van meer vreemd vermogen.

Grondexploitatie
Dit kengetal geeft aan hoe groot de grondpositie (de waarde van de grond) is ten opzichte van de totale geraamde baten. De boekwaarde van de grond is van belang, omdat deze waarde moet worden terugverdiend bij de verkoop. We hebben momenteel maar een grex project Fresh Valley. Ons kengetal geeft daarom zoals te verwachten aan dat hiervoor slechts een gering risico bestaat.

Structurele exploitatieruimte
Hiermee wordt aangegeven hoe groot de structurele exploitatieruimte is door de totale baten te vergelijken met de structurele baten en lasten. Op grond van artikel 19 van het BBV wordt een overzicht van incidentele baten en lasten per programma gevraagd. Deze specificatie is opgenomen in hoofdstuk 3.3.2 Dit saldo afgezet tegen de totale baten geeft het gevraagde percentage.
Zoals u ziet geeft de indicator aan dat er in 2020 nog geen sprake is van een structureel evenwicht in de begroting maar dat evenwicht wordt wel gerealiseerd in 2021 en verder. Dit is in lijn met de toelichting zoals gegeven in hoofdstuk 1 waarin wij u uitleg hebben gegeven over de ontwikkeling van ons formele en structureel, reëel exploitatiesaldo.

Belastingcapaciteit
Dit kengetal geeft een grove indicatie in welke mate de gemeente de gemeentelijke belastingopbrengsten kan verhogen om financiële tegenvallers op te vangen c.q. ruimte te creëren voor nieuw beleid. De indicatieve ruimte die de gemeente heeft om zijn belastingen te verhogen, wordt berekend door de gemiddelde woonlaten van een gezin met een eigen huis in Landgraaf af te zetten tegen de gemiddelde woonlasten van een gezin in Nederland.

Geprognosticeerde balans
De wijziging van de hiervoor genoemde ministeriële regeling heeft ook betrekking op het opnemen van de geprognosticeerde begin- en eindbalans in de begroting en meerjarenraming, welke eveneens in de paragraaf moet worden opgenomen. Gelet op de sterke relatie van dit onderdeel met de paragraaf Financiering, in het bijzonder het EMU-saldo, hebben wij de berekening en specificatie van de geprognosticeerde begin- en eindbalans opgenomen in de paragraaf financiering. Kortheidshalve verwijzen wij naar deze paragraaf. De berekeningen van de meerjarige financiële kengetallen zijn, voor zover van toepassing, vanaf ook gebaseerd op de meerjarige geprognosticeerde balans, zoals weergegeven in de paragraaf financiering.