2.2.1 Lokale heffingen

Inleiding

Gemeenten kennen vier inkomstenbronnen, waarvan de uitkering uit het Gemeentefonds het grootst van omvang is. Daarnaast heeft de gemeente inkomsten zoals inkomensoverdrachten afkomstig van andere overheden, gemeentelijke belastingen, leges, heffingen en retributies en overige eigen middelen. Over de omvang van de uitkering van het gemeentefonds, subsidies en de specifieke uitkeringen hebben de gemeenten géén zeggenschap. Met overige eigen middelen bedoelen we de opbrengsten uit verkopen (zoals bouwgrond) of inkomsten uit bezittingen (aandelen of onroerende zaken). 
Lokale heffingen kunnen worden geheven op grond van hoofdstuk XV van de Gemeentewet. Daarnaast zijn er heffingen die op grond van andere wetten dan de Gemeentewet worden geheven, zoals de afvalstoffenheffing op basis van artikel 15.33 Wet Milieubeheer.

De raad stelt het beleid (uitgangspunten) en de tarieven vast (raadsvergadering december 2022). De inkomsten uit belastingen zijn veel ruimer inzetbaar dan die van rechten en heffingen. 
-    Inkomsten uit heffingen moeten besteed worden ter bestrijding van lasten die met deze heffingen samenhangen, zoals riool- en afvalstoffenheffing.
-    Voor rechten geldt dat de inkomsten dienen als compensatie voor lasten verbonden aan het leveren van een specifieke individuele dienst, bv. grafrechten, marktgelden.
Voor zowel heffingen als rechten geldt dat deze maximaal kostendekkend mogen zijn. Het is vanuit het budgetrecht aan de raad om de mate van kostendekkendheid vast te stellen (tot maximaal 100%). 

We onderscheiden de gemeentelijke heffingen in drie soorten: belastingen, rechten en (bestemmings)heffingen. Deze driedeling is voor het berekenen van tarieven van belang.

Voor de gemeente Landgraaf zijn dit:

Tabel 1 LH 2023

Conform het BBV zijn in deze paragraaf opgenomen de geraamde inkomsten aan heffingen en leges, het beleid met betrekking tot de lokale heffingen, de mate van kostendekkendheid, het kwijtscheldingsbeleid en de lokale lastendruk (woonlasten). Binnen de gemeente Landgraaf loopt het traject om te komen tot een nog meer uniforme en consistente toerekening van lasten aan leges. Dit hangt onder andere samen met de implementatie van de Omgevingswet, vooralsnog per 1 januari 2023, en het daarbij horende proces van keuzes maken wat wel en wat niet door te belasten via het heffen van leges. 

Beleid

De basis voor de gemeentelijke regelgeving inzake de heffing en invordering van heffingen wordt gevormd door diverse wetten: de Gemeentewet, de Wet Waardering Onroerende zaken, de Algemene wet betreffende rijksbelastingen, de Wet Milieubeheer, de Invorderingswet 1990 en de Algemene wet bestuursrecht. Daarnaast schrijft het BBV een aantal regels voor in de Notitie Lokale heffingen, de zogenaamde stellige uitspraken, waarvan wordt verwacht om deze te volgen.
Binnen de kaders van deze regelgeving heeft de gemeente beleidsvrijheid over de hoogte van de heffingen. Het coalitieconvenant vult deze beleidsvrijheid deels in. In dit convenant is afgesproken dat de opbrengsten gemeentelijke belastingen en heffingen met niet meer dan de inflatie zullen stijgen. 

Indexatie 2023 en meerjarig 2024-2026
Voor 2023 betekent dit een stijging met 3% ten opzichte van het jaar 2022 voor de belastingopbrengsten. Voor de jaren 2024-2026 zijn deze percentages 2,5%, 2,5% en 2,2%. Deze percentages zijn gebaseerd op de indexering zoals die in de meicirculaire 2022 van het gemeentefonds is opgenomen. 
Bij de rioolheffing en afvalstoffenheffing, waarbij het uitgangspunt 100% kostendekkendheid is, kan de tariefontwikkeling afwijken van de genoemde indexering. 
Bij de leges zijn we uit gegaan van een beleidsneutrale overgang in het kader van de Omgevingswet, inhoudende eenzelfde niveau van kostendekkendheid conform voorgaande jaren. De te maken keuzes wat wel en wat niet door te belasten via het heffen van leges zijn niet in deze programmabegroting en deze paragraaf verwerkt.

Toerekening overhead aan afvalstoffen- en rioolheffing

Overheadkosten worden toegerekend op basis van de verhouding directe uren toewijsbaar aan het product riool of aan het product afval, ten opzichte van het totaal aantal directe uren. 
Bron is het capaciteitsmodel van de gemeente Landgraaf, waarin voor 2023 een herijking van uren heeft plaats gevonden in het kader van het Zero Based Budgeting (hierna ZBB) project.
Overheadkosten bestaan onder andere uit:
-    salariskosten van indirect toewijsbare uren
-    beheer gebouwen
-    kantoorinventaris
-    ict
-    facilitaire kosten zoals schoonmaak
-    gesaldeerd voor de baten op taakveld 040 

Geraamde inkomsten
Bij de heffingen wordt onderscheid gemaakt tussen heffingen met gebonden besteding en niet gebonden bestedingen. Gebonden wil zeggen dat de baten alleen bestemd zijn voor het doel waarvoor zij geheven worden. De baten zijn geoormerkt en mogen qua maximaal 100% kostendekkend zijn. Hierbij gaat het om de bestemmingsheffingen van afvalstoffen- en rioolheffing.
Niet gebonden besteding houdt in, dat de baten tot de algemene dekkingsmiddelen van de gemeente behoren en vrij inzetbaar zijn.

 

bedragen in €
Omschrijving lokale heffing (x1.000) 2022 2023 2024 2025 2026
Gebonden heffingen
Afvalstoffenheffing 4.625 4.958 5.415 5.575 5.663
Rioolheffing 4.956 5.055 5.156 5.259 5.364
Niet gebonden heffingen
Hondenbelasting 405 418 428 439 448
Onroerende zaakbelasting 7.769 8.002 8.202 8.407 8.592
Precariobelasting 29 30 31 32 33
Toeristenbelasting 108 111 114 117 119
Totaal lokale heffingen 17.892 18.573 19.346 19.827 20.219

                                                                                                                 Tabel 2 LH 2023

Belastingmaatregelen

Onroerende zaak belasting (OZB)
De basis voor de heffing van de OZB is de feitelijke situatie (WOZ-waarde) van het object (woning of niet-woning) per 1 januari 2023, gerekend met het prijspeil van 1 januari 2022. Jaarlijks wordt de WOZ-waarde bepaald door de BsGW. Dit gebeurt op basis van de Wet Waardering Onroerende Zaken. 
De heffing wordt berekend aan de hand van een % (het tarief) van de (WOZ) waarde van het object. De werkelijke opbrengst OZB is daarmee afhankelijk van de waarde van alle objecten. De werkelijke opbrengst OZB kan lager uitvallen dan begroot, aangezien de werkelijke WOZ-waardes lager kunnen zijn dan de waarden die we in november van de BsGW ontvangen, door het honoreren van WOZ-bezwaren in 2023 of verdere toekomst.

Ontwikkeling marktwaarde – indicatieve tarieven
BsGW heeft normaliter medio oktober 2022  de bepaling van de WOZ-waarde van alle objecten (grondslag) voor het volgende belastingjaar gereed. Op dat moment kan een exacte bepaling van de % tarieven OZB plaatsvinden, die vervolgens in de raadsvergadering van december 2022 definitief worden vastgesteld.
De ervaring leert dat 15 oktober vroeg is om een prognose af te geven. Daarnaast zijn de geluiden dat de waardestijging (woningen) substantieel zal zijn en dat dit merkbaar zal zijn in 2023 (peildatum 1-1-2022). Voor de tariefbepaling OZB zijn dit interessante ontwikkelingen om rekening mee te houden. Dat is de reden dat we een extra finale concept prognose van BsGW ontvangen op 15 november 2022.
Om toch een indicatief tarief OZB te kunnen berekenen, zijn we bij de berekening vooralsnog uit gegaan van een waardestijging van 7,2% voor woningen en 0% voor niet-woningen.

Areaalmutaties
Ten opzichte van voorgaand jaar is voor 2023 vooralsnog niet met areaalmutaties rekening gehouden. 

Tariefontwikkeling (indicatief)

Zoals in het coalitieconvenant is vastgelegd, zal de belastingopbrengst (gelijk aan tarief %  X  waarde object), met niet meer dan de inflatie stijgen. Voor 2023 betekent dit een stijging met 3% ten opzichte van 2022. 
Voor de jaren 2024-2026 zijn deze percentages respectievelijk 2,5%, 2,5% en 2,2%: in de meerjarenraming 2023-2026 stijgt de totale opbrengst OZB jaarlijks met deze percentages. Dat wil niet zeggen dat de tarieven met het inflatie % zullen stijgen. Bij de bepaling van het tarief houden wij rekening met de waardeontwikkeling van de objecten. Is de waardestijging hoger dan het inflatie %, dan leidt dat tot een lager tarief OZB; omgekeerd leidt een waardestijging die lager is dan het inflatie % tot een tariefstijging OZB. Per saldo stijgt de te betalen (gemiddelde) OZB belasting met niet meer dan het inflatie %. 

In onderstaand overzicht is een indicatie gegeven van de ontwikkeling van de tarieven. Wij merken daarbij op dat deze tarieven niet zijn bepaald op basis van de door BsGW verstrekte gegevens, doch op een eigen inschatting van de marktontwikkelingen: 7,2% waardestijging woningen (conform raming 2022) en 0% bij niet-woningen. Andere ontwikkelingen dan prijs zijn hierbij niet meegenomen. 
De tarieven kunnen definitief worden berekend na 15 november 2022, wanneer we de extra prognose WOZ-waarden (grondslag voor de heffing) van de BsGW hebben ontvangen. Afhankelijk van deze WOZ-waarden en daarin meegenomen ontwikkelingen kunnen de definitieve tarieven afwijken van de hieronder vermelde indicatieve tarieven. De Verordening Onroerendzaakbelasting 2023 met de definitieve tarieven wordt, als gevolg van de extra prognose van BsGW, nagezonden. Vaststelling vindt plaats in de raadsvergadering van december 2022.  

De indicatieve tarieven OZB woningen 2023 dalen ten opzichte van 2022 door de met meer dan het inflatie % (3%) stijgende WOZ waarden (+7,2%). De indicatieve tarieven OZB niet-woningen 2023 daarentegen stijgen marginaal onder invloed van gelijkblijvende WOZ waarde in combinatie met de inflatiecorrectie 3%. Dit leidt tot de volgende indicatieve tarieven:

 

Tariefontwikkeling in % van waarde 2022 2023
Verordening Indicatief
- eigenaren woningen 0,1530% 0,1470%
- eigenaren niet-woningen 0,3369% 0,3470%
- gebruikers niet-woningen 0,2810% 0,2894%

Hondenbelasting

Rond 3.930 huishoudens zijn in het bezit van één hond; circa 500 huishoudens hebben 2 of meer honden. De tarieven hondenbelasting 2023 stijgen ten opzichte van 2022 met 3%. 

bedragen in €
Tarieven hondenbelasting 2022 2023
- 1e hond 76,10 78,40
- 2e hond 159,20 164,00
- 3e hond 284,20 292,70
- 4e e.v. hond 551,60 568,10
Kennel 1.067,10 1.099,10

De tarieven zullen worden verwerkt in de verordening Hondenbelasting, die in de raadsvergadering van december 2022 zal worden vastgesteld. Meerjarig (2024-2026) zijn de opbrengsten hondenbelasting geïndexeerd met de percentages zoals eerder vermeld.

Precariobelasting

In relatie tot de precariobelasting zijn geen aanpassingen aan de orde. De tarieven 2023 stijgen ten opzichte van 2022 met 3%. Dit betreft de inflatiecorrectie. De afzonderlijke tarieven, gebaseerd op de genoemde inflatiecorrectie, worden opgenomen in de verordening Precariobelasting 2023, die in de raad van december 2022 zullen worden vastgesteld. Meerjarig (2024-2026) zijn de opbrengsten precariobelasting geïndexeerd met de percentages zoals eerder vermeld.

Toeristenbelasting

Met de ondernemers in de recreatieve sector is de afspraak gemaakt het tarief om de 2 jaar te verhogen. Sinds 2020 is er sprake van één uniform tarief. De laatste verhoging dateert uit 2022. Dit betekent dat het tarief voor 2023 niet wordt aangepast.
Ondernemers in de recreatie branche zijn in de zomer 2022 geïnformeerd over hetzelfde tarief voor 2023, dat door de raad via de verordening Toeristenbelasting in december 2022 wordt vastgesteld.

bedragen in €
Tarief toeristenbelasting per overnachting 2022 2023
per persoon, per overnachting 1,45 1,45

Afvalstoffenheffing

De afvalstoffenheffing is een zogenaamde gebonden heffing. Dit betekent dat de heffing de desbetreffende lasten maximaal voor 100% mag dekken. Voor de raming van de lasten die worden meegenomen in de berekening van de afvalstoffenheffing zijn de kosten van Rd4 bepalend; bijna 85% is het aandeel Rd4 in de totale kosten afval (ten opzichte van 88% voor begrotingsjaar 2022). Het totaal van de kosten vormt op basis van 100% kostendekkendheid de grondslag voor de tarieven afvalstoffenheffing en ziet er voor 2023 als volgt uit:

bedragen in €
Omschrijving lasten afvalstoffen 2022 2023 Verschil
Kosten Rd4 (incl. BTW vooraftrek) 4.007.272 4.136.047 128.775
Directe uren eigen personeel 26.111 87.383 61.272
Toegerekende overhead 36.861 134.615 97.754
Toegerekende kosten BsGW 167.552 201.239 33.688
Toerekening van kwijtschelding afvalstoffenheffing 272.346 280.162 7.815
Kapitaallasten (incl inzet doelreserves) - - -
Overige lasten (papierbakken) 45.059 48.559 3.500
Totaal lasten afvalstoffenheffing 4.555.201 4.888.005 332.804
Storting voorziening reiniging 70.000 70.000 0
Baten 4.625.201 4.958.005 332.804
Saldo 0 0 0
Dekkingspercentage 100% 100%

Onderstaand worden de belangrijkste verschillen in lasten tussen 2023 en 2022 toegelicht:
1.    Kosten Rd4: ten opzichte van de raming vorig jaar stijgen de kosten van Rd4 voor 2023 met afgerond € 129 duizend (incl. BTW). Deze stijging binnen de Rd4 begroting betreft grotendeels de toegenomen verwerkingskosten van PMD (invoering bronscheidingsmodel met vaste vergoeding per ton die lager ligt dan ketenregiemodel); de stijging van organisatiekosten (brandstof, verzekeringen en hogere personeelskosten door cao-stijging en stijgende pensioenpremies).
2.    Directe uren eigen personeel: op basis van een herijking van uren in het capaciteitsmodel dat in het kader van het ZBB project is gedaan, zijn er meer directe uren toegerekend op het product afvalbakken dan verleden jaar.
3.    Toegerekende overhead: door de herijking van uren in het capaciteitsmodel dat in het kader van ZBB project is gedaan, zijn de totale uren op het product afval toegenomen. Door deze herziene inschatting van directe uren is er uiteraard ook sprake van een hogere toerekening aan overhead kosten in de afvalstoffenheffing. 
Overigens zijn de uren op het product riolen gedaald door deze herijking, waardoor de toerekening van overhead aan de rioolheffing flink is gedaald.
4.    De storting in de voorziening van € 70 duizend heeft betrekking op het creëren van een fonds om de nagekomen verwerkingskosten T-1 te kunnen betalen.

Tarieven afvalstoffenheffing 2023

De afvalstoffenheffing is een gebonden heffing en mag maximaal 100% kostendekkend zijn. 
Voor 2023 blijven de variabele tarieven gelijk aan de tarieven van 2022. Dit betekent dat de stijging van afvalkosten niet uit de variabele tarieven gedekt kan worden, maar leidt tot een verhoging van het vastrecht. Het vaste tarief stijgt met ruim 9% ten opzichte van 2022 op basis van 100% kostendekkendheid. De berekening van de tarieven baseren wij op de huidige en verwachte aantallen aansluitingen en aantallen ledigingen. 
De tarieven worden vastgesteld via de verordening Afvalstoffenheffing in de raadsvergadering van december 2022.

bedragen in €
Tarieven afvalstoffenheffing 2022 2023
Vastrecht eenpersoons huishouden 187,60 204,90
Vastrecht meerpersoons huishouden 212,80 232,40
GFT container 140 liter - -
GFT container 240 liter - -
Restafval container 140 liter 6,45 6,45
Restafval container 240 liter 8,75 8,75
Huisvuilzak 1,60 1,60

Rioolheffing

De basis voor de kosten met betrekking tot rioleringen wordt gevormd door het ISW (Integraal Stedelijk Waterplan) dat door de raad is vastgesteld in september 2016. Ook de grondwater- en oppervlaktewater problematiek en de maatregelen die op dat gebied worden genomen, hebben hierin een plaats. Daarnaast spelen toegerekende kosten een rol, te denken aan onkruidbestrijding, straatreiniging, de personele kosten die direct toewijsbaar zijn en kosten van overhead van de eigen organisatie.

Een nieuw kostendekkingsplan riolen als financiële afgeleide van het nog door de raad vast te stellen watertakenplan zal in 2023 gereedkomen. De financiële vertaling van dit watertakenplan zal bij begrotingswijziging in 2023 plaatsvinden, maar de vertaling naar de rioolheffing mag pas bij de primitieve begroting 2024 plaatsvinden.

De grondslag voor de tarieven rioolheffing op basis van het huidige kostendekkingsplan ziet er als volgt uit:

bedragen in €
Omschrijving lasten riolen 2022 2023 Verschil
Onderhoud 781.456 818.065 36.609
Overige lasten 125.587 131.470 5.883
Beleid waterhuishouding 200.001 203.895 3.894
Kapitaallasten 1.075.511 1.072.752 -2.759
Toegerekende kosten BsGW 290.252 199.558 -90.694
Directe uren eigen personeel 595.852 396.982 -198.870
Toegerekende overhead 998.535 668.111 -330.424
Toerekening duurzame onkruidbestrijding 124.848 127.345 2.497
Toerekening straatreiniging en kolkenreiniging 120.000 246.500 126.500
Toerekening kwijtschelding 222.654 214.838 -7.815
Totaal lasten riolen 4.534.696 4.079.517 -455.179
Storting voorziening riolen 420.988 975.281 554.293
Baten 4.955.684 5.054.798 99.114
Saldo 0 0 0
Dekkingspercentage 100% 100%

Onderstaand worden de belangrijkste verschillen in lasten tussen 2023 en 2023 toegelicht:

1.    Toegerekende kosten BsGW: de daling van kosten BsGW betreft een verschuiving van kosten naar staatreiniging en kolkenreiniging.
2.    Directe uren eigen personeel: op basis van een herijking van uren in het capaciteitsmodel dat in het kader van het ZBB project is gedaan, zijn er veel minder directe uren toegerekend op het product riolen dan verleden jaar.
3.    De baten rioolheffing zijn ten opzichte van 2022 € 99 duizend hoger. Hierin is rekening gehouden met de in het ISW opgenomen indexering van 2%.
4.    Storting voorziening riolen: een hogere storting in de voorziening riolen vanwege de daling van de overige kosten en de geïndexeerde baten rioolheffing: een stijging van € 555 duizend ten opzichte van 2022. De storting vormt het saldo tussen baten en lasten. 
5.    Toegerekende overhead: door de herijking van uren in het capaciteitsmodel dat in het kader van ZBB project is gedaan, zijn de totale uren op het product riolen af genomen. Door deze herziene inschatting is er sprake van een lagere toerekening aan overhead kosten in de rioolheffing.

Tarieven rioolheffing 2023

Evenals bij afvalstoffen mogen gemeenten de kosten voor riolen tot maximaal 100% in rekening brengen bij de huishoudens. Dit gebeurt ook in de gemeente Landgraaf. Daarmee zijn de tarieven riolen niet onderhevig aan een indexering op de heffing zelf, maar zijn afhankelijk van de ontwikkeling van kosten die verband houden met riolen. 
De tarieven rioolheffing stijgen met 1,4% ten opzichte van 2022. De berekening van de tarieven baseren wij op het huidige aantal aansluitingen. 

bedragen in €
Tarieven rioolheffing 2022 2023
Eigenarendeel: 108,20 109,70
Gebruikersdeel o.b.v. verbruik drinkwater
0 - 200m3 155,30 157,50
201 - 400m3 220,60 223,80
meer dan 401m3 365,00 370,20
per 100m3 extra 37,20 37,70

Kwijtschelding

Op grond van de kwijtscheldingsverordening gemeentelijke belastingen kunnen burgers, wanneer zij aan de eisen voor kwijtschelding voldoen, voor kwijtschelding in aanmerking komen. 
Indien burgers voldoen aan de eisen voor kwijtschelding, ontvangen zij kwijtschelding voor:
-    Rioolheffing (gebruikersdeel),
-    Afvalstoffenheffing (vastrecht + variabele kosten met een maximum van € 70)
Voor de overige gemeentelijke belastingen en heffingen wordt geen kwijtschelding verleend.

Daarnaast komen burgers op grond van Verordening afvalstoffenheffing in aanmerking voor vermindering van de afvalstoffenheffing, indien zij als gevolg van chronische ziekte of handicap dan wel chronische ziekte of handicap van personen die behoren tot zijn of haar huishouden, extra afval moeten aanbieden aan de gemeentelijke inzameldienst. 

In de begroting 2023 is een totaalbedrag van € 495 duizend opgenomen voor kwijtschelding van afvalstoffen- en rioolheffing. Uit analyse van de gerealiseerde kwijtscheldingen over de jaren 2018 t/m 2021 blijkt dat van de kwijtschelding 57% toe te rekenen is aan afvalstoffenheffing en 43% aan rioolheffing. 
Op basis van deze verdeling is in de begroting 2023 rekening gehouden: er wordt € 280.162 kwijtschelding toegerekend aan de afvalstoffenheffing en € 214.838 aan de rioolheffing.  

Nieuw beleid rijk

Gemeenten krijgen meer mogelijkheden voor kwijtschelden van lokale belastingen. Ten eerste mag bij AOW’ers het ouderdomspensioen als norm worden gehanteerd in plaats van het sociaal minimum. Ten tweede mag de gemeente een hogere vermogensnorm hanteren.
Gemeenten bieden nu kwijtschelding van gemeentelijke belastingen aan als inwoners voldoen aan twee normen, de inkomensnorm en de vermogensnorm. De inkomensnorm is 90% van het sociaal minimum, maar gemeenten hebben de mogelijkheid om die inkomensnorm te verhogen tot 100% van het sociaal minimum zodat meer mensen belastingvrijstelling krijgen. Álle gemeenten die kwijtschelding verlenen, hanteren de maximale kwijtscheldingsnorm van 100 procent. De vermogensnorm is nu voor paren 
€ 2.350, voor alleenstaande ouders € 2.150 en voor alleenstaanden € 1.775.

Vrijwillig
De nieuwe norm geeft gemeenten de mogelijkheid om meer kwijtschelding te verlenen, niet een verplichting.
 
Hoger inkomen voor ouderen
Gemeenten mogen voor AOW’ers voortaan het netto-ouderdomspensioen als grondslag hanteren in plaats van het sociaal minimum. Die grondslag is hoger, omdat zij minder rijksbelastingen hoeven te betalen. Daardoor komen ouderen eerder in aanmerking voor kwijtschelding.
Gemeenten moeten voor álle inwoners hetzelfde percentage daarvoor kiezen, variërend van 90% (wettelijk minimum) tot 100% (praktijk). Ze mogen dus niet voor ouderen een ander percentage kiezen dan voor overige inwoners.

Leges en rechten

Leges en rechten worden geheven voor verstrekte diensten door de gemeente. De dienst kan bestaan uit documenten (bv. paspoort, rijbewijs), vergunningen (bv. omgevingsvergunning, evenementenvergunning), grafrecht en dergelijke.
Er is nog geen rekening gehouden met de nieuwe Omgevingswet die vooralsnog per 1 januari 2023 in werking treedt. Bij de leges zijn we uit gegaan van een beleidsneutrale overgang in het kader van de Omgevingswet, inhoudende eenzelfde niveau van kostendekkendheid conform voorgaande jaren. De te maken keuzes wat wel en wat niet door te belasten via het heffen van leges zijn niet in deze programmabegroting en deze paragraaf verwerkt.

bedragen in €
Omschrijving leges en rechten (x1.000) 2022 2023 2024 2025 2026
Omgevingsvergunning 284 289 294 298 298
Marktgelden 21 21 22 22 22
Reisdocumenten 118 120 122 124 124
Rijbewijzen 155 158 160 163 163
Burgerzaken (GBA, huwelijken e.d.) 68 69 70 71 71
Grafrechten en-heffingen 20 20 20 20 20
Overige leges 40 79 80 81 81
Totaal leges en rechten 705 757 768 779 779

Legestarieven mogen evenals de gebonden heffingen maximaal kostendekkend zijn. Dit betekent dat tarieven niet meer mogen stijgen dan de stijging van de daaraan gekoppelde lasten. De afzonderlijke tarieven worden opgenomen in de Legesverordening 2023 die de raad in december 2022 zal vast stellen.

Ontwikkeling woonlasten binnen Parkstad gemeenten

Woonlasten zijn betalingen die huishoudens doen in verband met wonen. Woonlasten bestaan uit belastingen en heffingen enerzijds en marktprijzen voor bijvoorbeeld gas en elektriciteit anderzijds. In deze paragraaf beperken we de woonlasten tot de lasten die voortvloeien uit de relevante gemeentelijke heffingen: 
-    onroerende zaakbelasting,
-    rioolheffing meerpersoonshuishouden,
-    afvalstoffenheffing meerpersoonshuishouden.

Overige belastingen zijn niet op elk huishouden van toepassing en worden daarom niet meegenomen in vergelijking van de gemeentelijke woonlasten. 
    
Het Centrum voor Onderzoek van de Economie Lagere Overheden (COELO) doet jaarlijks onderzoek naar de ontwikkeling van de gemeentelijke woonlasten en publiceert de cijfers in de “lokale lasten atlas”. Deze levert daarmee een landelijk vergelijkbaar gegeven voor wat betreft de gemeentelijke woonlasten. Die vergelijkbaarheid is niet helemaal zuiver, omdat vanwege de verscheidenheid in ophaalsystemen COELO voor wat betreft de afvalstoffenheffing een “gemiddeld” systeem hanteert. Hierdoor kunnen afwijkingen ontstaan ten opzichte van de eigen situatie. In onderstaand overzicht is het verloop voor de jaren 2019 tot en met 2022 weergegeven voor alle Parkstadgemeenten.

Bron: Coelo – lokale lasten atlas 2022

Bron: Coelo – lokale lasten atlas 2022
Overzicht woonlasten Parkstad Limburg gemeenten 2019-2022
Gemeente Gemid. WOZ Belastingjaar
woning 2022 2019 2020 2021 2022
Voerendaal € 326.000 € 847 7,1% € 967 14,2% € 996 3,0% € 1.107 11,1%
Beekdaelen € 302.000 € 909 € 907 -0,2% € 996 9,8%
Simpelveld € 266.000 € 845 2,4% € 884 4,6% € 880 -0,5% € 986 12,0%
Kerkrade € 217.000 € 774 2,9% € 809 4,5% € 847 4,7% € 986 13,5%
Heerlen € 229.000 € 764 -0,7% € 786 2,9% € 815 3,7% € 969 18,9%
Landgraaf € 249.000 € 768 5,8% € 829 7,9% € 869 4,8% € 943 11,3%
Brunssum € 222.000 € 766 2,1% € 791 3,3% € 825 4,3% € 899 9,0%

De gemeente Landgraaf is hierin gedaald in de gemiddelde woonlasten ten opzichte van het voorgaande jaar (peildatum 2021).