2.2.7 Weerstandvermogen en risicobeheersing

In deze paragraaf beoordelen wij in de eerste plaats de mate waarin de benodigde weerstandscapaciteit groot genoeg is om de geïnventariseerde risico’s af te dekken. De wijze van berekenen en de onderliggende definities zijn vastgelegd in de Nota weerstandsvermogen en risicomanagement 2021 die door de raad eind 2020 is vastgesteld. 

Als eerste presenteren we de weerstandsbehoefte. Dit betreft de totaalsom van alle geïnventariseerde majeure financiële risico’s. Vervolgens presenteren we de weerstandscapaciteit. Dit is niet meer dan een selectie van de geraamde meerjarige stand van de reserves en voorzieningen uit bijlage 4. In de daaropvolgende weerstandsratio wordt de capaciteit vergeleken met de behoefte en afgezet tegen de door de raad vastgestelde normering. Tenslotte nemen we in deze paragraaf de verplichte BBV financiële kengetallen op. Samen met het formele en structurele meerjarensaldo zoals gepresenteerd in hoofdstuk 1 en de hier gepresenteerde weerstandsratio gebruiken we deze informatie om aan het eind van deze paragraaf te komen tot een oordeel over onze financiële positie.
 
Weerstandsbehoefte
De weerstandsbehoefte is per programma geïnventariseerd en in de 4eW van ieder programma toegelicht. Het restrisico per risico hebben we vastgesteld door de maximale financiële impact van een risico te vermenigvuldigen met een kanspercentage (%). Dat is de kans dat het risico op komt en de kans dat het risico, als het op komt, ook maximaal op komt. We hanteren hierbij de volgende indeling:

Kans-inschatting Percentage
Zeer hoog 100%
Hoog 75%
Gemiddeld 50%
Laag 25%
Zeer laag 10%

Max impact * Kans% = Financieel rest-risico

Het inschatten van de maximale impact & kans per risico is geen exacte wetenschap. Dat betekent dat in de toelichting van de 4eW per programma een onderbouwing dient te worden gegeven over de aannames die zijn gedaan om te komen tot de kans inschatting (zeer) hoog, midden of (zeer) laag. Door periodiek telkens op dezelfde systematische wijze de risico’s te inventariseren en de inventarisatie te bespreken met directie, management en college proberen we de inventarisatie van de weerstandsbehoefte, die deels gebaseerd is op subjectieve aannames, zoveel als mogelijk te objectiveren.
We passen de 80/20 regel toe bij het inventariseren van de risico’s. Dat betekent dat 20% van de risico’s 80% van de financiële impact kan hebben. Dat betekent tevens dat 80% van de niet op papier geïnventariseerde kleinere operationele risico’s 20% financiële impact kunnen hebben. Door te focussen op de 20% majeure risico’s leggen we op het bestuurlijke niveau de aandacht neer waar die moet liggen. We houden er dus rekening mee dat we i.h.k.v. de berekening van de weerstandsratio 20% van de weerstandsbehoefte niet hebben geïnventariseerd en tellen die 20% dus op bij het geïnventariseerde financiële restrisico. Tellen we aldus de som van de per programma geïnventariseerde restrisico’s bij elkaar op en verhogen we dat met 20% voor de niet geïdentificeerde risico’s dan hebben we het totaal van de benodigde weerstandsbehoefte.

 

 

(x € 1000)
Nr Programma Weerstandsbehoefte
2022 2023 2024 2025
0 Bestuur 2.593 3.157 3.718 4.281
1 Veiligheid
2 Verkeer, vervoer en waterstaat
3 Economie
4 Onderwijs
5 Sport, cultuur en recreatie
6 Sociaal domein 220 1.153 1.847 1.783
7 Volksgezondheid en milieu 224 224 267 247
8 Volkshuisvesting , ruimtelijke ordening VHROSV pm pm pm pm
Totaal weerstandsbehoefte programma's 3.037 4.534 5.832 6.311
Opzetpercentage 20% 607 907 1.166 1.262
Totaal weerstandsbehoefte 3.644 5.441 6.998 7.573

Weerstandscapaciteit

De weerstandscapaciteit, ook wel genoemd het weerstandsvermogen indien dit zich beperkt tot vermogenscomponenten, betreft de omvang van de financieel beschikbare middelen op 31 dec van het jaar die we in kunnen zetten om de financiële gevolgen van de daadwerkelijk opkomende risico’s in enig jaar op te kunnen vangen zonder dat dit per direct gevolgen heeft op het vastgestelde beleid. De vermogenscomponenten die we meenemen in de berekening van de weerstandscapaciteit beperken we tot:
-    De algemene reserve
-    De bestemmingsreserves
-    De egalisatiereserves

Stille reserves * , onderhoudsreserves en afschrijvingsreserves nemen we dus niet mee omdat die of niet altijd op korte termijn effectief vrij te maken zijn (stille reserves), beklemd zijn ter dekking van de afschrijvingslasten van een investering (afschrijvingsreserves) of omdat deze op termijn opgeheven worden (onderhoudsreserves). 

* In de Nota weerstandsvermogen en risicomanagement 2014 staat dat we de stille reserves wel mogen meenemen maar we doen dit al enkele jaren niet meer vanwege de niet realiseerbaarheid van de vrijval       
   van die stille reserves op de termijn waarop die ruimte nodig is i.h.k.v. risico-afdekking.

Weerstandsratio

De indicator aan de hand waarvan we kunnen beoordelen of we in staat zijn risico’s financieel op te vangen betreft de weerstandsratio. Die ratio is de verhouding tussen de weerstandscapaciteit (teller) en de weerstandsbehoefte (noemer). 

Ratio

Als weerstandsratio’s hanteren we een kleine (r) en een grote ratio (R) waarbij in de kleine ratio alleen de algemene reserve (teller) wordt afgezet tegen de weerstandsbehoefte (noemer). In de grote ratio nemen we ook de bestemmingsreserves en de egalisatiereserves mee in de vaststelling van de omvang van de weerstandscapaciteit.

Normering van de ratio's

De normering van de ratio’s. 
De kleine ratio dient zich idealiter te bewegen tussen de 1 en de 2. De grote ratio tussen de 2 en de 3 aldus het Landgraafse beleid. De hoogte van de kleine (r) en grote (R) ratio kunnen we dus niet los zien van elkaar. Een grote ratio (R) van 4 lijkt erg hoog maar indien die gepaard gaat met een kleine ratio (r) van 0,4 is er wellicht toch reden tot zorg. Is het dan niet tijd kritisch te kijken naar de omvang en hoeveelheid van de bestemde reserves. Een grote ratio (R) van 4 is niet extreem hoog maar boven de signaleringsnorm. Als dat samen gaat met een kleine ratio die ruim onder de 1 ligt dan moeten we ons afvragen of het niet verstandig is de bestemmingsreserves en of egalisatiereserves nogmaals kritisch tegen het licht te houden.

Kleine Ratio-Grote Ratio

Beide ratio’s dienen daarom in samenhang met elkaar te worden beschouwd. Valt een score te laag of te hoog uit dan is dat in eerste aanleg reden tot nadere analyse. Of er bijgestuurd dient te worden op dat moment zal ook afhangen van de hoogte van de andere ratio. In de nota weerstandsvermogen en risicomanagement 2021 is een handzame tabel opgenomen waarin de verschillende ratio scenario’s en de mogelijke bijstuurmaatregel zijn opgenomen.

(x € 1000)
Weerstandsratio per 31/12 2022 2023 2024 2025
Weerstandscapaciteit klein 8.509 8.986 9.762 10.547
Weerstandscapaciteit groot 21.165 20.437 21.710 23.984
Weerstandsbehoefte 3.644 5.441 6.998 7.573
Kleine ratio r 2,3 1,7 1,4 1,4
Grote ratio R 5,8 3,8 3,1 3,2

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de kleine ratio in 2022 ruim boven de signaleringsnorm ligt. Dit behoeft geen bijsturing want de stand van de reserves is bijgewerkt tot en met de 2e financiële bijstellingsrapportage 2021. Uit de tussenrapportage 2021 is reeds gebleken dat we voor de jeugd en de Wmo voor 2021 nog forse onttrekkingen moeten doorvoeren. Die onttrekkingen zijn nog niet verwerkt in de hierboven verwerkte stand van de algemene reserve * .

De grote weerstandsratio ligt zoals te doen gebruikelijk meerjarig boven de signaleringsbandbreedte van 3. Op het moment dat er risico’s in enig jaar opkomen zullen die nagenoeg altijd gedekt dienen te worden uit de algemene reserve. Dat betekent dus ook dat de meerjarig geraamde stand van de reserves zoals weergegeven nog geen rekening houdt met die daadwerkelijk opkomende risico’s. Tegelijkertijd komen er ook bijna ieder jaar voordelen op die de algemene reserve extra versterken. Ook die voordelen zijn, omdat ze nu niet bekend zijn, niet geraamd. 
De voorlopige deelconclusie is dan ook dat de weerstandscapaciteit op dit moment nog aan de maat is ondanks de keuze om de structurele storting in de algemene reserve terug te brengen van €1,75 miljoen naar €750 duizend structureel.

* De verwachte onttrekking 2021 bedraagt ca. 3 miljoen. Indien we die onttrekking verwerken in bovenstaande staat van de reserve-ontwikkeling dan daalt de kleine r in 2022 naar 1,5 maar blijkt meerjarig net boven de 1.

Verplichte BBV Kengetallen

De set van financiële kengetallen is vastgelegd in een daartoe strekkende ministeriële regeling. Deze ratio’s zijn in onderstaande tabel weergegeven. De provincie deelt de kengetallen in drie categorieën in, maar geeft hier geen kwalificatie aan, omdat de normering een eigen gemeentelijke keuze is. Wel kan over het algemeen worden gesteld, dat categorie A het minst risicovol is en categorie C het meest.

Kengetal 2020 2021 2022 2023 2024 2025 Categorische indeling provincie
Cat.A Cat.B Cat.C
Netto schuldquote 25,60% 48,00% 56,60% 61,60% 64,40% 63,80% <90% 90-130% >130%
Netto schuldquote, gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen 17,80% 39,20% 47,70% 53,20% 56,70% 56,70% <90% 90-130% >130%
Solvabiliteitsratio 40,40% 31,90% 28,30% 26,60% 25,80% 25,90% >50% 20-50% <20%
Grondexploitatie 2,80% 2,90% 2,90% 3,00% 2,90% 2,90% <20% 20-35% >35%
Structurele exploitatieruimte 0,00% 0,20% -1,10% -0,80% -0,10% 0,10% begr.pos. begr.neutr. begr. neg.
Belastingcapaciteit 109,10% 107,50% 109,10% 109,10% 109,10% 109,10% <95% 95-105% >105%

Netto schuldquote:
De netto schuldquote weerspiegelt het niveau van de schuldenlast t.o.v. de eigen middelen en geeft een indicatie van de druk van de rentelasten en aflossingen op de exploitatie. Hierbij wordt verschil gemaakt tussen de schuldquote in – en exclusief doorgeleende gelden (verstrekte leningen). Onze schuldquote stijgt verdergaand maar is wel nog steeds aan de maat (cat A). Dit is een direct gevolg van het meer moeten aantrekken van leningen o.a. t.b.v. de financiering van de investeringen en de duurzaamheidsleningen. 

Solvabiliteitsratio:
Dit kengetal geeft inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Onze solvabiliteitsratio blijft dalen maar bevindt zich nog steeds in de categorie B. Deze dalende trend kunnen we ombuigen door zodra mogelijk de stortingen in de algemene reserve weer op te hogen.

Grondexploitatie:
Dit kengetal geeft aan hoe groot de grondpositie (de waarde van de grond) is ten opzichte van de totale geraamde baten. De boekwaarde van de grond is van belang, omdat deze waarde moet worden terugverdiend bij de verkoop. 

Structurele exploitatieruimte:
Hiermee wordt aangegeven hoe groot de structurele exploitatieruimte is door de totale baten te vergelijken met de structurele baten en lasten. Op grond van artikel 19 van het BBV wordt een overzicht van incidentele baten en lasten per programma gevraagd. Deze specificatie is opgenomen in hoofdstuk 3.3.2 Dit saldo afgezet tegen de totale baten geeft het gevraagde percentage.
Zoals u ziet geeft de indicator aan dat er pas in 2025 sprake is van een structureel evenwicht in de begroting maar in dat evenwicht is nog geen rekening gehouden met het nadelige effect van de nog te besluiten herverdeling van het gemeentefonds. Dit is in lijn met de toelichting zoals gegeven in hoofdstuk 1 waarin wij u uitleg hebben gegeven over de ontwikkeling van ons formele en structureel, reëel exploitatiesaldo.

Belastingcapaciteit:
Dit kengetal geeft een grove indicatie in welke mate de gemeente de gemeentelijke belastingopbrengsten kan verhogen om financiële tegenvallers op te vangen c.q. ruimte te creëren voor nieuw beleid. De indicatieve ruimte die de gemeente heeft om zijn belastingen te verhogen, wordt berekend door de gemiddelde woonlaten van een gezin met een eigen huis in Landgraaf af te zetten tegen de gemiddelde woonlasten van een gezin in Nederland. De woonlast ligt hoger. Dit behoeft echter nuancering. Kijken we naar de woonlasten in Parkstad dan zien we dat we binnen Parkstad een gemiddelde woonlast.

Geprognosticeerde balans
De wijziging van de hiervoor genoemde ministeriële regeling heeft ook betrekking op het opnemen van de geprognosticeerde begin- en eindbalans in de begroting en meerjarenraming, welke eveneens in de paragraaf moet worden opgenomen. Gelet op de sterke relatie van dit onderdeel met de paragraaf Financiering, in het bijzonder het EMU-saldo, hebben wij de berekening en specificatie van de geprognosticeerde begin- en eindbalans opgenomen in de paragraaf financiering. Kortheidshalve verwijzen wij naar deze paragraaf. De berekeningen van de meerjarige financiële kengetallen zijn, voor zover van toepassing, ook gebaseerd op deze meerjarige geprognosticeerde balans, zoals weergegeven in de paragraaf financiering.

Analyse financiële situatie

Op basis van het beeld zoals weergegeven in deze begroting en dan met name op basis van de indicatoren weerstandsratio en structureel saldo lijkt de financiële situatie van de gemeente Landgraaf nog aan de maat. Deze beide indicatoren houden echter nog geen rekening met de nog te besluiten herverdeling van het gemeentefonds noch met de zeer stevige te besluiten onttrekkingen aan de reserves t.b.v. de Wmo en de Jeugd in 2021. Kijken we naar de trendmatige ontwikkeling dan zien we dat de ooit zeer sterke financiële positie van Landgraaf de afgelopen jaren langzaam maar zeker is afgekalfd.
Hoofdoorzaak hiervoor is het grote beslag op de reserves a.g.v. de stijgende lasten in het sociaal domein. Stijgende lasten die mede het gevolg zijn van overheidsbeleid. Hopen op verstandige besluiten van het nieuwe Kabinet (afschaffen abonnementstarief en structureel meer middelen voor gemeenten) zal niet genoeg zijn om deze negatieve financiële ontwikkeling een halt toe te roepen.
We zien een meerjarige trend zowel v.w.b. vermogenspositie alsook structureel exploitatiesaldo die ons dwingt tot het nemen van maatregelen. Maatregelen waarmee we het structureel saldo kunnen verbeteren op een dusdanige wijze dat we ook weer in staat zullen zijn om onze reserves op te hogen zodanig dat ook de daling van de solvabiliteitsratio kan worden gestopt.
Daarvoor gaan we een tweetal sporen volgen. Een gedegen zero based budgetting operatie en het doorvoeren van maatregelen die kunnen bijdragen aan normalisatie, zakelijkheid en beheersbaarheid van de Wmo zodat we de zorg aan de mensen die het hardste nodig hebben in onze gemeente kunnen continueren. Het eerste spoor zal vooral moeten zorgen voor vermindering van de lasten. Het tweede spoor zal primair gericht zijn op afvlakken van de alsmaar stijgende lasten Wmo.